Begin 1960
werd ik uitgezonden naar Nederlands Nieuw Guinea als
Artillerist, onze eerst geboren dochter was 10 dagen oud.
We woonde pas een jaar in Den Helder. Mijn vrouw was van
buitenlandse afkomst. Mijn familie woonde in het zuiden en
we hadden nog geen telefoon, dus veel geschreven.
Na een vlucht van totaal 36 uur van schiphol via IJsland,
Anchorage, Tokio naar Biak.
Tijdens die vlucht vroeg een van de Marinejongens aan zijn
maatje: “mag ik eens aan het raam zitten?”
Toen het donker werd, zag hij ineens grote vlammen uit de
motoren komen. Hij drukte op de bel en de stewardess
vroeg: “wat is er aan de hand?”
Hij zei: “kom even dichterbij. Ik wil geen paniek zaaien,
maar één van de motoren staat in brand!”
“O”, zegt ze, “maak je maar niet ongerust. De extra
compressor staat bij”.
Tot mijn verbazing kwam ik een half jaar later mijn neef
Pierre Repping. (Zie mijn fotoalbum) en mijn broer Stef
welke bij de Klu. zat op Biak tegen. De 2e dag op Biak had
ik meteen wachtdienst op Kamp Sorido. Na mijn kennismaking
met de chefs werd ik in de wapenkamer geplaatst. Niet lang
daarna kreeg ik een zelfstandige functie bij de
kustbatterij op Oregon Trail. Daar stonden drie 10.5
kanonnen van Duitse afkomst. Oorlogsbuit en daar geplaatst
met de nodige munitie. Verder drie 20 mm mitrailleurs en
er kwamen later nog drie 40 mm bij.
In de concet, een halfrond blikken onderkomen, was een
kleine wapenopslag en munitie en een paar bedden voor de
wachtdiensten.
Met de Artillerie Off. zijn de kanonnen ingeschoten op
verschillende afstanden en doelen. We schoten dan over de
KLM-strip, omdat we in een tjot verscholen zaten. |
Na mijn term
in 1962 vloog ik retour met de DC-8 met straalaandrijving.
Met een VW bus werd ik naar huis gebracht. Geen onthaal
dus zoals het nu gaat.
Ik werd op de Artillerie school geplaatst als instructeur.
Na een paar weken was er paniek. Ik ging naar huis en
vertelde mijn vrouw het volgende verhaal.
Toen ik die morgen in de kazerne arriveerde, vroeg men:
“wat kom je doen!”
Ik zeg: “hoe zo?”
“Je collega’s zijn vannacht opgehaald en zijn onderweg
naar Nieuw Guinea”.
Ik had meteen een opleidingsklas van 40 man, in plaats van
10.
Ik vertelde het mijn vrouw in zeg tegen haar: “nou mijn
plunjezak staat nog klaar en prikken heb ik nog gehad. Wie
weet wat er nog te gebeuren staat”.
Maar ik ben niet meer weg geweest naar Biak.
Ik ben in 1947 in dienst gegaan en in 1982 er uit. Veel
van huis: Nederlands Indië, Nieuw Guinea, Korea, Cursus in
de U.S.A., Engeland en Nederlandse Antillen. Mooie maar
ook nare dingen meegemaakt.
back
|