Vooralsnog 
Het was één van de vele herinneringen die me bestormden, toen ik in februari bij de pier stond waaraan dertig jaar geleden onze “Keerkring” (wij spraken van Keerkrčng) lag. Teruglopend viel mijn oog op een klein stenen bouwseltje, onopvallend en gedeeltelijk overgroeid temidden van de palmen. Die paar blokken steen riepen onmiddellijk reeksen beelden op, want het waren de restanten van de oven die we destijds gebruikten om geheime stukken te verbranden. Dat vond ik altijd een leuk karweitje, hoewel je er verschrikkelijk warm van werd. Het was spannend, want ik bekeek elk geheim stuk natuurlijk langdurig voordat ik het in de vlammen gooide. Het waren meestal telegrammen met meldingen van de inlichtingendienst, betrekking hebbend op vijandelijke activiteit en op de paraatheid van troepen en materieel van de Indonesiërs. Vooral met de bruikbaarheid van de vijandelijke vliegtuigen en schepen was het vaak droevig gesteld, meestal wegens defecten en het niet beschikbaar zijn van reserveonderdelen. Mede daar-door dacht ik dat het met een Indonesische invasie wel zou loslopen. Toch schrok je wel eens van die boodschappen. Zo kwam er een keer een telegram met de mededeling, dat de Indonesische radio had gemeld, dat de bevolking van Seroei op het naburige eiland Japen tegen de Nederlanders in opstand was gekomen. Ze hadden hun sympathie voor de Indonesiërs betuigd door op het dorpsplein de rood-witte Indonesische vlag te hijsen. “Verzoeke inspectie en zonodig actie”. We dachten dat het propaganda was, maar voor alle zekerheid gingen we er toch maar even met de helikopter op af. Stikkend van het lachen kwam we terug. Het verhaal van die vlag klopte. Het was de reclamevlag van Amstelbier, die ook rood-wit is en daar al jaren wapperde bij een toko. Andere berichten berustten wel op waarheid.  

Meestal ging het over infiltraties die de Indonesiërs in Nieuw-Guinea uitvoerden. Vooral in de laatste fase van die confrontatie met Nederland werden honderden parachutisten gedropt. Ze hadden te horen gekregen, dat ze door de bevolking als bevrijders zouden worden verwelkomd. Maar dat viel niet mee. Als regel leverde een Papoea een Indonesiër direct af bij de Nederlandse militairen. Soms hadden ze ze eerst een kopje kleiner gemaakt, letterlijk. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer. De Nederlanders wilden dat hoofd dan ook hebben, wat een teleurstelling was, want dat hadden ze nou juist zo graag willen houden. Over de inhoud van die telegrammen mocht ik met mijn collega’s niet praten; bij in diensttreding had ik dat zelfs bij God Almachtig moeten zweren. Maar ik kan erg moeilijk mijn mond houden, zodat ik toch wel eens iets losliet, zoveel mogelijk op geruststellende wijze. Toen we berichten hadden gekregen waaruit bleek dat de Indonesische invasie (met als belangrijkste doel Biak!) nu toch echt ging komen, zei ik dat er “vooralsnog geen enkele reden was om werkelijk ongerust te zijn” in navolging van een staatsman van “omstreden kwaliteit”, die dat aan de vooravond van de Duitse inval in Nederland verklaarde. Ik dacht natuurlijk wel aan mijn hachje en dat van mijn meest nabije vrienden. We hadden afgesproken, dat we in elk geval niet op het schip zouden blijven als de Indonesische bommenwerpers eraan kwamen. Want we hadden van een Korea-veteraan gehoord, dat we dan bij een voltreffer als een rat in de val zouden zitten met grote kans om te worden doorzeefd met klinknagels die uit het schip zouden losbarsten. We zouden daarom buiten het zicht van onze meerderen naar de kant roeien of zwemmen en het daar afwachten in een van de vele kalkgrotten.     next