Visite
Aan die eisen voldeed in elk geval onze gereviseerde HMW-brommer, waarmee we op 22 april 1962 op verjaardagsvisite gingen bij onze voedstervader Berkenbosch.
Die woonde eenzaam in een kapitale bungalow in een hoog gelegen nieuwe wijk van Biak, de Ridge. Het was een kilometer of vijf rijden.
Halverwege werden we overvallen door een regenbui, zo erg hadden we het niet eerder meegemaakt. Meer water dan lucht om ons heen.
De motor verdronk letterlijk. Dus lopend verder. Druipend stapten we een uurtje later binnen bij de jarige, die ongerust zat te wachten met
het voorraadje pils dat hij speciaal voor ons in huis had gehaald. We kregen droge kleren uit zijn garderobe, zodat we even later in niet helemaal
passende, maar toch keurige broek en overhemd aan de tafel zaten, terwijl onze kaki uniformen en groene onderbroeken aan het drooglijntje op de
veranda hingen. Berkenbosch had voor sfeer gezorgd door kerstboomverlichting te ontsteken. De avond verliep zeer geanimeerd, mede dank zij Amstel
en Bokma. Berkenbosch vond het wel leuk om een beetje over ons te vaderen en gaf menige levensles, puttend uit de ervaringen die hij als verzetsman
op Texel en later werkend in Nederlands-Indië en Pakistan had opgedaan. Hoewel hij van de hak op de tak sprong en geen scherp onderscheid maakte
tussen hoofd- en bijzaken, zijn z’n wijsgerige beschouwingen me altijd bijgebleven, net als zijn stopwoorden en andere “seggies”.
Als ik nu een grote afgraving zie, een kale vlakte of een puinhoop, denk ik altijd: en de aarde was woest en ledig. Niet omdat ik zo bijbelvast ben,
maar omdat Berkenbosch dat vaak zei als hij een plek passeerde waar hij nog geen gebouw had neergezet. Er waren in NieuwGuinea veel van die
plekken en dat vervulde hem met zorg. “Maar in Pakistan was het erger”, zei hij eens, om de moed erin te houden. |
Hij kon zeer aanschouwelijk
vertellen en uitleggen. Als woorden toch tekort schoten, viel hij terug op gebruiksvoorwerpen uit de omgeving. Toen ik niet begreep wat nu eigenlijk
voorgespannen beton was, pakte hij vijf garenklosjes en reeg ze met een touwtje aan elkaar, aan het eind een grote knoop. Zolang het touwtje slap was,
lagen de klosjes zonder enig verband naast elkaar, maar door het touwtje te spannen werden ze tegen elkaar getrokken en vormden één stijf paaltje,
dat ook van opzij grote krachten kon opvangen. Dus hetzelfde effect dat gespannen wapeningsijzer in beton teweeg brengt. Door deze manier van
uitleggen kon hij goed overweg met autochtone hulpkrachten, zoals in het officiële jargon de Papoea-koelies werden genoemd. Die hadden meestal geen
bouwkundige opleiding en worstelden met de taal. Na afloop van zo’n les placht hij zich jenever uit de vierkante groene Bokma-fles in te schenken en het
glas te heffen. Hij zei dan niet “proost” maar “prut”. Ik had een zekere
bewondering voor Berkenbosch wat bleek uit artikelen die ik voor de
Texelse Courant schreef. Bij één van de verhalen had ik een foto gezet waarop je Berkenbosch ziet in zijn in aanbouw zijnde kazernecomplex,
een bouwtekening in de hand en op de achtergrond de resten van het regenwoud. "Het oerwoud moest wijken voor deze Texelaar”,
stond er heroïsch onder. Veel plezier hebben de Nederlandse strijdkrachten niet gehad van de kazerne. Toen het complex net klaar was,
werd NieuwGuinea via een tussenbewind van de Verenigde Naties aan Indonesië
overgedragen. Pakistaanse VN-soldaten namen hun intrek in de gebouwen en maakten direct duidelijk dat zij tot een geheel andere cultuur behoorden. Ze gebruikten het sanitair door náást de dure
Sphinx-potten te schijten in plaats van erin, zodat het binnen de kortste keren een stinkende bende werd.
back |