Regel was dat ze zich verlegen op de achtergrond hielden en als ze dat uit zichzelf niet deden, zorgden vaders, broers of echtgenoten daar wel voor. Het ging zo ver, dat ze zelfs niet op de foto wilden of mochten. Daar zat overigens een respectabele redenatie achter. Ze beschouwden het als een inbreuk op hun privacy. Die soldaat zou later immers net zo vaak en zo lang naar die foto kunnen kijken als hij zelf wilde, dus van haar genieten zonder dat zij of haar wettige echt-genoot daar wat tegen zou kunnen doen. Geen foto dus. In veel kampongs geldt die ongeschreven regel nog steeds en dat is te zien aan de dia’s die ik de afgelopen jaren heb gemaakt. Toen ik die onlangs vertoonde voor de Lions-club merkte Riewert Veenstra van de Rabobank teleurgesteld op dat ik bijna geen foto’s van vrouwen had. Jammer, Rieuwert, maar ik blijf het proberen. 
Het was militairen officieel verboden om “omgang” met de "autochtonen” te hebben, ook als het om volstrekt onschuldige contacten ging. Dat was je puurste apartheid, waarover toen al in het moederland verbazing heerste. We hebben ons er nooit wat van aangetrokken en dat is maar goed ook, anders hadden we veel gemist. In de praktijk werd niet scherp gelet op naleving van dat omgangsverbod, maar als de contacten met een meisje serieus en blijvend leken te worden, werd er opgetreden. Een jongen uit Limburg die verkering had met de mooie dochter van een inheemse predikant, werd gesommeerd de relatie onmiddellijk te verbreken. Toen hij dat weigerde werd hij meer dan eens in de gevangenis gezet. Hij zette echter door en nam zijn bruid tenslotte mee naar Holland. 

Wel moest hij schriftelijk verklaren dat hij het meisje op zijn kosten naar NieuwGuinea zou terugsturen als het huwelijk binnen vijf jaar schipbreuk zou lijden. Een paar jaar geleden las ik in de Margriet dat de twee nog steeds heel gelukkig zijn. Minder goed liep het af met een kennis van mij, Ernst Jans, die op het strand bij Hollandia zijn hart verloor aan een Papoea-meisje. Het was wederzijds. Ik was een van de eersten aan wie hij het vertelde. Hij omschreef haar in zulke opgetogen bewoordingen, dat het meisje me tegenviel toen ik haar in werkelijkheid zag. Hij was helemaal gek van haar en leende geld om haar te kunnen meenemen naar Holland, waar ze trouwden. Het was destijds landelijk nieuws met foto’s in alle dagbladen, op zichzelf al een aanwijzing dat zoiets geen schering en inslag was. Ernst Jans is een paar jaar later bij een motorongeluk om het leven gekomen. Wat er van het meisje is geworden, weet ik niet. Ik ving overigens ècht vlinders, met een groot net van vitragestof dat ik uit Holland had meegenomen, gemaakt door mijn moeder. Tropische vlinders zijn zeer snel. Ik rende met rot in de hitte, hoofdschuddend nagekeken door collega’s die mij mede door dat gedrag al gauw als een idioot beschouwden. De vlinders maakte ik dood met ether en vouwde ze in papiertjes met de bedoeling ze later in Holland te strekken en opgeprikt uit te stallen in een vitrine. Zo deden befaamde natuuronderzoekers als Wallace en Darwin het immers ook. Helaas zag men in mij geen Darwin maar een Prikkebeen. Gelukkig waren er ook soldaten die mijn interesses deelden en zich verenigd voelden door het ideaal om van de “term” in NieuwGuinea te maken wat ervan te maken was. Dat was heel wat.                    back