Setengah Meter
Als we ‘s avonds bij onze voedstervader Berkenbosch of andere burgers op bezoek wilden, hadden we “nachtvergunning” nodig.
Aangezien ik als korporaal-schrijver de hele dag in de onmiddellijke omgeving van mijn zeer geschikte commandant vertoefde,
was het niet moeilijk om dat papiertje te krijgen. Ik tikte het zelf en hij zette er zijn
handtekening onder zonder te kijken wat erop stond.
Op de verjaardag van Berkenbosch had ik een zeer laat uur ingevuld als uiterste moment waarop wij weer op ons schip moesten zijn,
zodat de gewapende marineman die de toegang van het Soridokamp bewaakte, verbaasd opkeek toen we om een uur of vier
‘s nachts in licht beschonken toestand terugkeerden. “Zo, waar komen de heren zo laat vandaan?” Wij melig antwoorden:
“Daer hab je niets mee te maeken, kaerel. Laat ons er door, en een beetje gauw want anders zwa ... zwáááit er wat.
Zie je niet wie je veur je habt?!” Vervolgens namen we hem in de maling door te beweren dat we bij
Setengah Meter waren geweest. Dat was een dame van plezier, die in een naburige kampong in een eenvoudig stulpje haar praktijk uitoefende. Een gekke naam,
Setengah Meter. Het betekent letterlijk: halve meter. Waar dat op sloeg, weet ik niet. Halve Meter werd bij toerbeurt afgewisseld
door twee collega’s: Rachel en Suzanne. Hun dienstregeling liep parallel met die van de wacht van Sorido: acht uur op en acht uur af.
Dat werd tenminste beweerd. Ze waren niet om aan te zien: pokdalig, schurftig en borsten die leken op lapjes rookvlees.
Toch scheen het drietal in een behoefte te voorzien. Wie lang genoeg in Nieuw-Guinea zat, was blijkbaar niet zo kieskeurig meer.
Ze lieten zich soms in natura betalen. Er is bij ons eens een
korpo-raalchauffeur aangehouden, die bekende dat hij de dames
geruime tijd wekelijks had bezocht |
en daarbij telkens twee broden had afgeleverd, die hij had gestolen uit de onderofficiersmess.
Ik zou nooit van Rachel, Suzanne en Setengah Meter hebben gehoord als de commandant er niet zo tegen had gewaarschuwd.
“Je raakt daar niet alleen je zaad, maar vooral je geld kwijt”. Ook beweerde hij, dat je ziektes zou oplopen waartegen nog geen
geneesmiddel bestond. zelfs de tocht erheen was gevaarlijk, want je moest dwars door een veld
alang-alang, een soort lang gras waarin beestjes zaten. Die beestjes haakten zich als platjes vast
tussen de haartjes op je benen en infecteerden je met scrub-typhus,
een afschuwelijke ziekte. Ik schrok me een ongeluk want ik kwam wel eens in dat veld, om vlinders te vangen. Toen ik dat
ongerust vertelde aan een papoea begon die smerig te lachen. “Vlinders vangen? Je zult nachtvlinders bedoelen”. Pas onlangs ontdekte ik
dat met het woord nachtvlinders (kupu kupu malam) ook prostituees worden bedoeld. "Er is hier een groot vrouwentekort”,
schreef ik in de Texelse Courant van 18 februari 1962. Dat was een waarheid als een koe. Honderden mannen en jongens in de
kracht van hun leven bij elkaar op een tropisch eiland in een zee van vrije tijd. Dat was geen evenwichtige
situatie. Er gebeurden wonderlijke dingen waaraan menige betrokkene niet graag wordt herinnerd. Als het niet kon zoals het moest,
dan moest het maar zoals het kon, zo leek het. Menige ondernemende Chinees heeft getracht om op weinig calvinistische en
op voor hem lucratieve wijze in de nood te voorzien, maar de overheid stak daar telkens een stokje voor.
Soms gebeurde dat op het allerlaatste moment. Eens verscheen in de wateren van
Nieuw-Guinea een schip met meisjes uit Malakka en Thailand die in diverse garnizoensplaatsen aan land zouden worden gezet om aan het werk te gaan.
Het schip werd teruggestuurd. Intieme contacten met meisjes van de plaatselijke bevolking waren
uitzondering.
next |