Onze jongens
Soms leek het alsof Nederland ons was vergeten. Het wekte wrevel dat de regering wel miljoenen uitgaf om in Nieuw-Guinea de bewapening op te voeren, maar blijkbaar niet aan ons welzijn dacht. We zaten daar maar, op dat smerige schip. Dat kon mij persoonlijk niet zoveel schelen, want ik vermaakte me evengoed wel, maar er waren maten die daar moeite mee hadden. Het viel me op dat het vooral jongens uit de stad waren. Die waren zo gewend aan voorgekookt amusement zoals café, film en televisie, dat ze blijkbaar niet in staat waren iets te maken van dat heel andere leven. Die verveelden zich te pletter en vonden dat Defensie dingen moest sturen waarmee je je vermaken kon: boeken, spelletjes, een zeilboot, watersportartikelen. En natuurlijk een filmprojector, graag met dezelfde films van boven de achttien die op dat moment in de Nederlandse bioscopen draaiden. Meerdere malen werd dit eisenpakket onder de aan-dacht gebracht van luitenant Neijndorff, die verant-woordelijk was voor de Welzijnszorg, maar er gebeurde niets. Totdat we bezoek kregen van journalisten van het dagblad De Telegraaf. Er kwamen wel vaker persmensen in Nieuw-Guinea, maar die hadden door-gaans alleen interesse voor het conflict met Indonesië en spraken uitsluitend met de daarvoor aangewezen officieren. De Telegraaf-mensen kwamen echter bij ons aan boord en zorgden ervoor, dat het gekanker dat zij daar hoorden, breed en aangedikt in de krant kwam. Ik maakte toen kennis met de invloed van dit toen al grootste dagblad van Nederland. We waren ineens ontdekt. Een niet te stuiten stroom hulpgoederen kwam op gang. Van verre familieleden maar ook van volslagen onbekenden kregen we per luchtpost pak-ketjes met snoep toegestuurd. Ook arriveerden radio’s, platenspelers, bandrecorders, 

koffiezetapparaten, massa’s boeken, bijbels (!) en luxe toilet-artikelen.We konden het lang niet allemaal gebruiken. Dat gold met name voor een grote kist die zes weken later per zeepost arriveerde en afkomstig was van het bejaardenhuis Sint Jozef Zorg in Wychen bij Nijmegen. De oudjes hadden allerlei nuttige handwerken voor ons gehaakt en gebreid, waaronder truien en bivakmutsen. Er zat een aandoenlijke brief bij waaruit bleek dat ze best wisten, dat het bij ons snikheet was, maar ‘s avonds en ‘s winters zou het ongetwijfeld fris zijn. Een misverstand dat ook bij minder bejaarde Nederlanders heerste. Blijkbaar was niet algemeen bekend, dat het in Nieuw-Guinea het hele jaar even heet is en dat alleen in de bergen een behoorlijk verschil bestaat tussen dag- en nachttem-peratuur. Op Biak kan het overdag wel veertig graden worden en ‘s nachts zakt de temperatuur nooit beneden 28 graden bij een zeer hoge luchtvochtigheid. Alleen bij de GEDACHTE aan een trui of bivakmuts breekt het zweet je al uit. Toch hebben we aan die mutsen een hoop plezier beleefd, want iedereen moest zo’n ding natuurlijk over zijn kop trekken. We gaven ze ook weg aan Papoea’s, die er apetrots mee door de kampong stapten, een bezopen gezicht. Ze trokken ze al gauw weer uit. “Panas!” (warm) riepen ze dan. Het contact met thuis of het gebrek daaraan werd het meest gevoeld op hoogtijdagen, zoals sinterklaas en kerstmis. Die feesten werden ook bij ons gevierd, maar het kon natuurlijk nooit zo zijn als thuis. Alleen al de genoemde temperaturen maakten het moeilijk om in kerstsfeer te komen, maar we deden ons best. In de hitte gingen we naar de nachtmis in de open kerk op het terrein van de marinekazerne. We zongen vol overgave Stille Nacht, zo hard als we konden om het lawaai van de krekels en de kikkers te overstemmen.
                                           next