in het binnenland zat en pas de volgende dag zou terugkeren. Wij mochten nooit mee. Telkens als Bas opgewekt grijnzend afscheid nam en vertelde dat het wel eens héél laat zou kunnen worden, sloeg de jaloezie als een steekvlam door onze gelederen. We zagen het helemaal voor ons: die jonge vrouw met haar lange blonde haren, minuscuul gekleed en vol onvervulde verlangens, rusteloos wachtend op de veranda bij de snel invallende tropennacht, zoals zo mooi was beschreven in die Stille Krachtromans: “Haar bedienden had zij met een korte groet heenge-zonden. Ze hadden glimlachend begrip getoond voor hun njonja, waren achterwaarts weggeslopen en zouden pas bij het ochtendkrieken weer opdagen. Een tijdlang was er niets dan het tsjilpen van de tjitjaks en het roepen van de tokeh. Plotseling maakte zich uit het in het maanlicht schitterende pisangblad een gestalte los, die zwijgend naderde. Bas! Ze rende hem tegemoet en wierp haar hoofd tegen zijn bezwete brede lichaam en liet gretig toe hoe hij met zijn grote handen over haar borsten streelde terwijl hij haar wild kuste en meetroonde naar de goedang, waar niemand hen zou storen en waar hun wilde hartstochten vrij baan konden hebben”. Zo zat ik met luide stem te oreren, aangevuld door mijn vrienden die details toevoegden die zij aan hun natte dromen hadden ontleend. Het commentaar van de anderen was niet van de lucht: "Ben je gek. Die kleine pelopor (scheld-naam voor Indonesiërs) met z’n blauwe pikkie, wat kan die nou klaarmaken?” Nee, het kon, het mócht niet waar zijn. Ondanks zijn gepeeuw kon ik goed met Basje overweg. In de vrije uren gingen we er vaak samen met de prauw op uit, we drongen door in onbekende grotten, beklommen ber-gen en vlogen met Dakota’s naar allerlei plaatsen op het vasteland.  

Ik leerde van Basje allerlei “Indische” wetenswaar-digheden en Basje leerde van mij fotograferen en filmen. Dat laatste vond hij zo leuk dat hij er later zijn beroep van maakte. Nog altijd werkt hij in de Capi Lux fotohandel van de tax free shop op Schiphol. Zodat ik hem daar iedere keer tegenkom als ik naar Indonesië ga. Hij loopt dan weg uit zijn winkeltje en gaat mee naar de pier. Het is niet moeilijk te raden waar we dan over praten. De klok wordt dan even dertig jaar terug-gedraaid. “Gek hè? We lullen nog steeds over dezelfde dingen”, zei hij de laatste keer. Inderdaad, er lijkt niets veranderd. Maar is er is natuurlijk wel wat veranderd. Zoals Basje’s coupe soleil. Die is verdwenen want zijn haren zijn egaal grijs geworden.

                                          back