Klu-wijven
Vooral bij de Koninklijke Luchtmacht ("Klu”) was de discipline ver te zoeken. Dat is altijd al een weinig militair krijgsmachtonderdeel geweest,
maar een gewoon technisch bedrijf met softe verhoudingen. De onderlinge omgang had weinig te maken met grimmigheid en tucht.
Marinemannen en landmachters die veel meer waren gedrild, noemden ons geringschattend “Klu-wijven”. Dat had vooral te maken
met de wijze van converseren. De luchtmachters gromden niet verbeten binnensmonds, zoals een behoorlijke marinier doet, maar
krijsten als wijven als ze ergens van schrokken of uiting gaven aan verbazing. Onder Klusoldaten op Biak vond je naar verhouding
veel literaire en artistieke figuren, terwijl ook lieden met technische hobby’s
oververtegen-woordigd leken. Iedereen had wel een of andere tic of passie, het werd niet gauw gek gevonden. Ik kon me in dat bonte gezelschap aardig handhaven. Het enige dat iedereen
héél bijzonder bleef vinden was dat ik van dat schapeneiland Texel kwam. Ze hadden gelijk want slechts één op de 416.666 mensen
op deze aarde is Texelaar. Het sociale leven speelde zich voor een belangrijk deel af in de tot slaapzalen gemaakte vrachtruimen van het schip.
De stapelbedden stonden drie rijen dik naast elkaar. Nieuwkomers (“baroe’s”) kregen de meest afgelegen bedden, want onderscheid moest
er toch wel zijn. Om als baroe je slaapplaats te bereiken, moest je over twee of drie andere bedden kruipen, wat in de duisternis bijzonder
lastig was, vooral als je laat thuiskwam en in die andere bedden al jongens lagen. Er was dan ook altijd veel geschreeuw en gevloek
voordat iedereen sliep. De eerste nachten deed ik geen oog dicht wegens de hitte, het lawaai van de ventilatoren en het geraas van de
hulpmotor van het schip. Het kwam ook omdat ik niet gewend was om zonder dekens te slapen.
|
Zomaar open en bloot op een matras
met niets anders aan dan een groene onderbroek, dat vond ik maar niks. Je zat daar op elkaars lippen zonder enige privacy.
Gelukkig waren de onderlinge verhoudingen prima zodat het dragelijk was. Met bepaalde mensen trok je natuurlijk meer op dan
met andere. Letterlijk het meest nabij was je “slapie”, de jongen die in het bed boven of onder je sliep. In
mijn geval was dat Bas Horstink. Hij was geboren in Malang op Oost-Java en kon op een toon vol weemoed vertellen over zijn Indische jeugd.
Over hun florissante plantage, hun mooie huis dat tegen een berghelling was gebouwd, hun vele bedienden, waaronder een “kokkie” die zo goed kookte,
de heerlijke mango’s die ze in hun uitgestrekte tuin hadden, kortom alles wat hij later in Holland niet meer had en dagelijks erg miste.
Daarom had hij zich als vrijwilliger opgegeven voor Nieuw-Guinea. Het was hem niet meegevallen, want de heerlijke geneugten van
Nederlands-Indië waren daar ver te zoeken. Liggend in het bed boven mij kon hij daar uren over praten en klagen, met zijn kop over de rand.
Ik praatte terug en dat ging dan meestal over Texel, waar ik ook een fantastische jeugd had beleefd, heus wel hoor.
Bas zei dan vol afkeer: ach, Tèxel ... Dat moest volgens hem enorm behelpen zijn geweest in vergelijking met oost-Java.
Ik noemde hem Basje omdat hij nogal tenger was uitgevallen. Hij had van nature coupe
soleil. meerdere plukjes van zijn overigens zwarte haar waren spierwit. Volgens hem vielen vrouwen daarop. En anders wel op de kuiltjes in zijn wangen.
Het leek alsof het nog werkte ook want Basje had al gauw allerlei connecties op de wal. Zo kwam hij aan huis bij een piloot
van luchtvaartmaatschappij De Kroonduif, beter gezegd de mooie vrouw van die piloot. Basje moest er altijd heen als de piloot,
die twee keer zo oud was als zij, ergens
next |