Keerkreng 
Ons chaotisch bestaan werd in de hand gewerkt doordat we bijzonder slecht waren gehuisvest. Bij gebrek aan een echte kazerne waren de 300 luchtmachtmensen ondergebracht op het voormalige KPM-vrachtschip “Keerkring”, dat aan een vijftig meter lange pier was afgemeerd, alleen bereikbaar via de wacht van de Marine-kazerne Sorido. De soldaten en korporaals zaten in de vrachtruimen die vol stapelbedden stonden en het kader was verdeeld over de spaarzame passagiers-accommodatie. Het was er heet en smerig. Het wemelde er van de kakkerlakken, sommige zo groot als muizen. Om ze dood te krijgen werd de vloer elke week overdadig bespoten met een mengsel van petroleum en DDT. Er hing dan een dichte petroleummist, waarin wij vrolijk verbleven en de later zo beruchte gechloreerde koolwaterstof dus inademden. Eigenlijk een wonder dat wij of ons nageslacht daar geen enkel nadeel van hebben ondervonden. Als we zeehonden waren geweest, zouden we uitgestorven zijn. We hadden ook ratten, echte scheepsratten. Niemand minder dan staatssecretaris Th. Bot werd met die beesten geconfronteerd toen hij bij een bezoek aan de strijdkrachten in Nieuw-Guinea een rondgang over ons schip maakte. Die beestjes renden een tijdlang voor hem uit. Scheepsratten zijn aardige  zwarte diertjes, die makkelijk tam worden als je een beetje begrip toont voor de achterstandssituatie waarin zij verkeren. Ik had er een in een kistje onder mijn bed. Hij was al gauw moddervet van de “gemalen marinier” die ik hem elke dag voerde. Wat dat was, zal ik later uitleggen.

In een andere kist zat een koeskoes, een buideldier zo groot als een kat met een prachtig vel, een kale grijpstaart en wonderlijk grote nachtogen, waarmee hij je stomverbaasd aankeek. Die koeskoes had ik meegenomen van het naburige eiland Noemfoer, waar ik op bezoek was geweest bij eilandgenoot Jan Boon. Jan zat daar tijdelijk, betrokken bij de bouw van een radarpost en vermaakte zich in zijn vele vrije tijd met pythons, die daar veelvuldig voorkwamen en makkelijk waren te temmen nadat je de tanden uit hun bek had getrokken. De koeskoes kreeg ik van Noemfoerse Papoea’s, die hem net hadden gevangen, maar ik dacht dat het een tamme was. In de Dakota op de terugreis naar Biak ontsnapte het sissende beest uit zijn mand en rende met grote sprongen door het toestel. Wij er achteraan. Het werd een bende, waarover marinemensen later met afkeuring spraken. Typisch weer de luchtmacht. De koeskoes liet zich niet pakken, rende tussen cockpit en wc op en neer en sprong zelfs over de schoot van een van de vliegers, die daar erg van schrok en bijna de macht over het toestel verloor. Na de landing op Biak kregen we het beest uiteindelijk weer in zijn mand. Echt tam is hij nooit geworden, zodat ik hem op het laatst maar losliet in het bos. Het eten op de “Keerkring” was slecht. Het werd bereid door soldaten die daarvoor niet waren opgeleid. Van huis uit waren het bankwerkers en rijwielherstellers die dit baantje hadden gekregen als gevolg van een administratieve fout bij de indelingsraad. De jongens deden hun best, maar meestal was de rijst aan snot gekookt, terwijl de groente en het vlees ook geen smakelijke aanblik boden. De proviandering was slecht geregeld, want
next