Karang City
Hotel Irian was vroeger van de KLM en heette toen ‘t Rif. Het was ooit het enige hotel op Biak. In opdracht van onze nationale luchtvaartmaatschappij
werd het in 1952 gebouwd, om bemanningen en passagiers die op doorverbinding wachtten, behoorlijk onder te brengen. Het in één laag uitgevoerde
vrij uitgestrekte houten complex staat op een paar honderd betonnen paaltjes (“poeren”) en is, zoals alle goede gebouwen in de tropen, voorzien van
een dak met een zeer breed overstek. Toen ik dertig jaar geleden als militair op Biak zat, kwam ik er wel eens. De eerste keer samen met eilandgenoot
Jan Boon uit De Cocksdorp, op uitnodiging van een andere eilandgenoot: ingenieur Roel Berkenbosch, die destijds werkte bij het
aanne-mingsbedrijf Intervam.
Hij had toezicht op de bouw van een kazerne, die op een opengekapte plek in het bos moest verrijzen. Berkenbosch zat er zonder gezin en vond het
wel gezellig om ons uit te nodigen voor een uitgebreide rijsttafel op zijn kosten in het hotel. Ik schreef er opgetogen over naar huis.
“We kregen er bier bij van f 1,25 per glas!!!”
Nadien kwam ik af en toe in het hotel om contact te maken met KLM-vliegers, die uit Tokio fotoapparatuur meebrachten.
Dat gebeurde op voorspraak van Johan Rijkelijkhuizen (zwager van melkboer Henk Boon uit Den Burg) die als KLM grondwerktuigkundige
een tijd op Biak heeft gezeten. Voor die tijd had hij in Tokio gewoond, zodat hij precies wist waar je voor
ongeloof-lijk lage bedragen film- en fotocamera’s kon kopen en hoe je die spullen zonder kosten door de douane kreeg.
Zo kwam ik dank zij zuinigheid, vlijt en deze goede |
relaties
onder meer in het bezit van de toen revolutio-naire Asahi Pentax éénoog spiegelreflex camera. Ik heb het ding nog steeds, op de achterkant staat
de inscriptie “No tax”. Ik maakte er honderden dia’s mee die ik later op Texel tijdens tientallen lezingen heb vertoond voor allerlei gezelschappen,
waaronder de beide afdelingen van de Platte-landsvrouwen en de Vrouwenbond NVV. Wat dat betreft herleeft de tijd, zoals de lezers weten die
de “Agendalf” van de Texelse Courant in de gaten houden. Alleen het tarief dat ik voor zo’n avond in rekening breng, is trendmatig aangepast
en het geld komt niet meer in mijn eigen zak, maar gaat naar ons Papoea-fonds.
Het KLM-hotel staat er nu zwaar verwaarloosd bij, maar overal vind je nog dingen uit de Nederlandse tijd. Zoals het koperen plaatje op een der palen,
dat herinnert aan het storten van deze “eerste poer” op 29 november 1952 door mevrouw J.C. te Roller-Mensert. Geen idee wie dat mens was.
Ook de grote Perutz reclamethermometer bij de ingang stimuleert het terugdenken aan “toen”. Die meter gaf in 1961 vijftien graden Celsius aan.
Hij was dus defect, want zo koud is het op Biak nog nooit geweest. Die meter is er nog steeds en staat nog altijd op vijftien graden. Zoiets 30 jaar
later ontdekken roept een niet te beschrijven gevoel op. Alsof je maar een paar dagen bent weggeweest. In dat opzicht is het een voordeel, dat
Indonesiërs zulke “rommelkonten” zijn. Ze ruimen niets op en wat kapot is blijft kapot.
De kust van Nieuw-Guinea is nog steeds bezaaid met de restanten van Japanse en Amerikaanse landingsboten en ander oorlogstuig. Bij Manokwari liggen op een strandje nog tamelijk complete Nederlandse
marine-vaartuigen en naast een hangar op Biak, staat een Nederlandse
Hunterstraaljager nog precies op de plaats waar wij hem destijds zolang
hebben neergezet,
next |