Grote lul
Twee bedden verder sliep Henny Landzaat, een rasechte Amsterdammer van het luidruchtige soort. Een spichtige jongen met een ijzeren brilletje,
die nooit sprak, maar altijd schreeuwde en ook altijd ergens boos of verontwaardigd over was. Hij was aan boord bakker en maakte dagelijks
150 broden van meel dat uit Australië was aangevoerd. Dat meel zat soms vol kakkerlakken en omdat het zeer omslachtig was om die er telkens
uit te zeven, werden ze gewoon meege-bakken zodat een soort krentenbrood ontstond met een smaak die aan Zwitserse kaas deed denken.
Als je eenmaal je weerzin had overwonnen, was het best lekker en het gaf voldoening dat je zo toch regelmatig een portie vers vlees binnen kreeg.
Boven-dien was het leuk om naar huis te kunnen schrijven dat je kakkerlakken had gegeten. Het thuisfront een beetje stangen.
De meesten beseften niet wat een ontzetting dat bij de goedgelovige ouders, broers en zusjes teweeg bracht en gingen veel te ver.
Een kennis van mij schreef een brief voor de helft met balpen en voor de rest met potlood. “Lieve ouders, ik ga nu verder met potlood,
want ze schoten zojuist de balpen uit mijn hand”. Daardoor, maar nog meer door de weinig geruststellende verhalen in de Hollandse
dag-bladen ontstond al gauw de indruk dat wij in een permanente veldslag verwikkeld waren.
In werkelijkheid leek het soms een vakantieoord. Het merendeel van de jongens lag elke middag in de gloeiende zon, vrijwel naakt op de bovendekken en in de sloepen
van het schip. Bruin worden was hun hoogste ideaal. Daarmee wilden ze indruk maken als ze weer thuiskwamen en bovendien leken
ze dan zo weinig mogelijk op baroe’s. De stemming was dan ook gedrukt als ‘s middags wolken kwamen opzetten, |
gevolgd door buien,
die altijd het karakter van een wolkbreuk hadden. De zeer ruim bemeten zwembroeken die tot onze persoonlijke
standaard-uitrusting behoorden belemmerden het maximale zonnecontact. De pijpen werden daarom opgerold en de bovenrand werd zoveel omlaag gestroopt,
dat er nog maar een streepje overbleef. Dat streepje mocht niet uit want op dat ene plaatsje van je lichaam moest je wit blijven, zodat je
later met zijn allen onder de douche goed het fraaie contrast kon laten zien. Alleen met een witte kont voelde je je echt bruin.
Een jongen die voor kleermaker had geleerd, had een leuke bijverdienste aan het ombouwen van
zwem-broeken. Hij maakte er slipjes van, die niets meer bedekten dan het hoogst noodzakelijke.
Landzaat had geen tijd om in de zon te liggen. Hij had het erg druk en maakte er zich
boos over dat zijn inspanningen door de officieren die verantwoordelijk waren voor de voedselvoorziening aan boord,
nauwe-lijks werden gewaardeerd. Ook om andere redenen had hij geen goed woord over voor deze superieuren, die door hem dan ook steevast “hooggeplaatste grote lullen”
werden genoemd. Hij zei dat ook in hun bijzijn, want hij was zeer brutaal. In Holland zou dat onmiddellijk leiden tot
gevangenisstraf wegens insu-bordinatie of iets dergelijks, maar ik vertelde al, dat de verhoudingen bij de luchtmacht in NieuwGuinea soepel waren. Bovendien kon Landzaat
een potje breken, want hij was onmisbaar en deed zijn werk uitstekend.
Henny’s rechterhand was een koolzwarte 18-jarige Papoea uit het dorpje Waroi,
Nathaniël Mirino. Die werkte net zo hard als Landzaat en leerde onderwijl van zijn blanke chef een beetje Hollands.
next |