ECHO’S [2]

Het leven op Biak was de eerste tijd ontzettend eentonig, we klooide maar wat aan. Kranten of radio's hadden we niet. Het geruchtencircuit was onze grootste nieuwsbron. Wel je kon een ontvanger slopen uit de vliegtuigendump. maar waar haalde je een goede accu vandaan en hoe hield je zo’n ding op spanning. De zenders zagen er net zo uit, maar die hadden een ontstekingsmechanisme om de frequentie niet in vijandelijke handen te laten vallen. Dus afblijven met je vingers. Het was ondanks het natte moessonseizoen ontzettend warm, de meeste van ons hadden last van huidaandoeningen, vooral de Apenpokken [kleine blaasjes met vocht erin] onder je oksels, rond je middel en je liezen. Het jeukte verschrikkelijk. Ook oogblindheid kwam nogal eens voor als je veel en lang op de witte koraal strips werkte. Een zalfje halen, indien voorradig op de EHBO post en na een tijdje in het donker te hebben geleefd was het weer over. Zonnebrillen hoorde niet tot onze uitrusting evenals handschoenen om aan het gloeiend hete materiaal te werken. Een enkele keer was er iets aan één van de weinige Mitchels te repareren, een doorgezakte landingspoot of een onderweg verloren koepel. Na zo'n reparatie vlogen we wel eens mee. Veel konden we niet doen dan het trapje binnenhalen, het luik sluiten, en met een geleerd gezicht op wat meters kijken. Na terugkomst verklaarde we dat geen enkel toestel dat onze werkplaats was gepasseerd, boven was gebleven. Na een half jaar kregen we er enkele collega’s erbij die de monteursschool hadden doorlopen. Zij waren allemaal korporaal of in KNIL termen ‘brigadier’ met als uitmonstering, twee streepjes op een zwart driehoekje.

In het Engels uitgesproken een hoge rang, dat zou nog nieuwe mogelijkheden kunnen openen. Maar wat toen belangrijker was, ze verdiende wat kwartjes meer dan wij. Er werd een opstandje georganiseerd. Staken hadden we geleerd van communistische zeelui in Sydney. 
Telegrammen werden naar Batavia  verzonden.
Resultaat: wij van de reparatieafdelingen werden allemaal korporaal. De nieuwe meccano’s brachten ook een lading voorschriften en inspectieboeken mee. Het meeste was er eigenlijk al, ze zaten in een speciale houder in de cockpit, alleen wij waren er onkundig van. Trouwens we dachten dat de piloten liever op hun eigen waarnemingen over de staat van het toestel afgingen, dan onze opmerkingen. We leerden al snel hoe het officieel hoorde. 
Formulier 23 in het vliegtuig was bestemd voor de boordmonteur en de patrouille meccano [die we niet hadden]. 
Formulier 24 behoorde in het bezit te zijn van de technische officier [onze ‘stip’ had ze niet, hij huisde misschien op het stafbureau maar gezien hadden we hem nog niet]. 
F 20 was het vliegtuigboek [mochten we niet inzien], 
F 21 met motorboek [daar was een andere afdeling verantwoordelijk voor]. 
F 22 het propellerboek [wie was daar verantwoordelijk voor ?].
F 24 het onderhoudsboek, wel daarin werd af en toe wat gekrabbeld. In zwart je initiaal zetten als het in orde was, een rood streepje als het probleem minder erg leek of een rood kruisje als het foute boel was. Alleen op het hele eiland was geen rood potlood of inkt te vinden. Die piloten hadden geen ongelijk als ze hun boeken verstopten.     Next