ECHO’S [1]

Zijn terugkaatsende, mogelijk vervormde klanken. Want er is niet aan te ontkomen dat gebeurtenissen waar jezelf min of meer bij betrokken was, door de tijd gekleurd raken. De schrijver kreeg als een van de jongste OVW- LSk'ers in 1945 in Engeland [als mopperende achteraan lopende kabouter] zijn bijnaam "Grumpy".

3 VB – BIAK
April 1946, daar stonden we dan met 8 OVW-LSK’ers in de rang van LUVA 3 op de Mokmerstrip. We hadden er een jaar over gedaan om van Ypenburg – Australië – Batavia, naar onze bestemming Biak te komen. Bij aanmelding was ons een gedegen opleiding beloofd. Nu die hadden we geen van allen gekregen. Hogere machten hadden ons ingedeeld als vliegtuigmonteur, maar het aller eerste vliegend tuig dat we van dichtbij zagen was de Mitchel B25 die ons in 11 uur vanaf Batavia vervoerde. Als we geweten hadden wat ons te wachten stond, waren we waarschijnlijk onderweg uitgestapt. Onderweg waren we gezeten op onze kitbag met daarin onze wollen blauwe RAAF’uniformen, nauwelijks in staat om door het toestel lawaai, van de twee bemanningsleden enige informatie los te peuteren. We werden begroet door een burger adjudant die ons vertelde dat de basis was aangewezen als E.O.S [Elementaire Opleidings School voor vliegers] en als R.M.A. [Reparatie Motor Afdeling] hiervan was al een bescheiden aanvang gemaakt. Hijzelf behoorde als werkplaatschef bij de P.E.P. [Personnel and Equïpment Pool] een overblijfsel van het uit Australië afkomstige 120e squadron, waarvan het personeel merendeel inmiddels vertrokken was.


Je kon aan de man zien dat hij voor zijn uitzend- en klussendienst blij was met onze komst. Al wist hij toen nog niet wat hij in huis gehaald had. Wij ook min of meer blij, want van stermotoren had niemand van ons enig benul. Zelf had ik gehoopt op een plaatsje op de net gestarte monteurs school te Batavia maar men vond mijn ½ jaartje Auto technische school, waar ik minimale kennis opdeed van een houtgasgenerator en in ’44 door de spoorwegstaking een einde kwam, schijnbaar als vooropleiding voldoende. Wij reden naar ons kampementje, op afstand parallel gelegen aan basiskamp H. Daar hoorde vooral het Indisch ‘KNIL’ personeel thuis. We werden gevoederd met rijst en gedroogde vis. Dat werd vervaardigd in 2 schoongemaakte drums. Als het water in één van die drums kookte was het spul volgens de kok in de andere drum ook gaar. 
Dus opscheppen maar, ’s morgens, ’s middags en ‘avonds hetzelfde, in onze herinnering maanden lang dat menu genuttigd. We kregen een paar dagen de tijd om onze barak wat te repareren. [een cementen vloertje wat houten palen met eerst een centimeter of 40 niets daarna een flinke meter teerpapier er omheen, weer een stukje niets en daarna het golfplaten dak] Een zeer luchtig geheel, gelukkig bezat de foerageafdeling toen nog over voldoende klamboes, desondanks liepen velen van ons malaria op. Niemand had toen ons verteld, geen schoenen naast je bed te zetten want jonge Papoea’s waren er gek op. Wel liepen zij al strompelend er mee te demonstreren, knap lastig om je eigen paar terug te vinden.     Next